Om deze blogperiode af te trappen wil ik beginnen bij het absolute begin: de oorsprong van het woord geluk.

ge·luk (o)

1 gunstige loop van omstandigheden; voorspoed: hij heeft altijd geluk boft altijd; van geluk mogen spreken veel geluk hebben

2 aangenaam gevoel van iemand die zich verheugt

Volgens de Dikke van Dale is dit de definitie van geluk. Geluk betekent niet alleen een toestand waarin iemand in balans en helemaal tevreden is, maar het woord betekent ook mazzel. Dan speelt toeval of, zoals veel mensen denken, lot de hoofdrol. Gelukkig zijn is iets waar je zelf invloed op hebt. Geluk hebben is dat niet.

Dat het woord geluk twee verschillende betekenissen heeft, is niet typisch Nederlands. Ook het Duitse Glück en de Italiaanse, Spaanse en Portugese afleidingen van het Latijnse felicitas hebben dezelfde dubbele betekenis. Het Engelse happiness komt van de Middel-Engelse en Oud-Noorse wortel happ, wat lot en toeval betekent. De relatie met to happen en perhaps is dan ook geen toeval(ha!).

Geluk in de oudheid

In het boek Geluk, een geschiedenis van de Amerikaanse historicus Darrin McMahon laat hij zien dat de twee betekenissen het resultaat zijn van de ontwikkeling die het denken over geluk heeft doorgemaakt. Uit de verschillende woorden die de Grieken hadden om gelukzaligheid aan te duiden, blijkt duidelijk dat zij het geluk zagen als een geschenk en niet als een eigen prestatie. Zowel olbios als makarios betekent gezegende, en het veel gebruikte eudaimonia is een combinatie van eu (goed) en daimoon (geest/demon).

Darrin McMahon schreef Happiness: A History in 2006

Darrin McMahon schreef Happiness: A History in 2006

Geluk was in de ogen van de Grieken en Romeinen geen gevoel, maar een feitelijke toestand en werd niet gemeten in gemoedstoestand, maar in mensenlevens. Het was dom om iemand voor zijn dood gelukkig te noemen, omdat je immers nooit wist wat de goden nog voor hem in petto hadden. Geluk was de compensatie voor een harmonieus en uitgebalanceerd leven. Het ging in de oudheid dus niet om je goed voelen, maar om goed zijn. Bovendien was het lang niet voor iedereen weggelegd, maar alleen voor hen die door de goden begunstigd werden en dus deel uitmaakten van de maatschappelijke elite.

Vrijwel hetzelfde gold in de tijd van het vroege christendom, ook daar werd geluk pas aan het eind van een duidelijk gemarkeerde weg werd bereikt. Maar anders dan bij de Grieken en Romeinen was geluk geen beloning voor individuele inspanningen. Het was Gods genade die bepaalde of iemand uitverkoren was om gelukkig te worden. Dat geluk werd uiteraard niet op een presenteerblaadje gelegd in het aardse leven, maar daar kwam je pas achter in het hiernamaals.

Verandering

ThomasHobbes

Filosoof Thomas Hobbes

De grote verandering vond plaats tijdens de Verlichting. De Britse filosoof Thomas Hobbes(1588) geloofde dat er niet zoiets bestond als het absolute Goede of Kwade, zoals dat wel bestond volgens de vroege christenen. Zodoende kende het menselijk leven volgens Hobbes geen uiteindelijk doel.

‘Aanhoudend erin slagen te bemachtigen wat je van het ene moment op het andere wilt hebben, dat wil zeggen dat het je aanhoudend goed gaat, dat is wat de mensen Geluk noemen; ik bedoel het geluk van dit leven. Want er bestaat niet zoiets als eeuwige gemoedsrust in dit leven, want het leven zelf is louter beweging en kan nooit zonder verlangen zijn, noch zonder vrees, net zo min als zonder gewaarwordingen.’

Het gaat dus niet om het opmaken van de eindbalans, maar om het onophoudelijk najagen van gelukzalige momenten.

Tegenwoordig

Vandaag de dag wordt er nog altijd hevig gediscussieerd over dit onderwerp. De ene professor gelooft dat geluk genetisch bepaald is, terwijl de ander van mening is dat de mens wel degelijk invloed heeft. De komende weken ga ik proberen om dichterbij de waarheid te komen. Voor nu hou ik mij vast aan de filosofie van Verlichtingsdenkers als de Franse Condorcet, die geloofde dat de mens een staat van volmaaktheid kan bereiken wanneer het gaat om geluk.

Advertisements